Beschermingsaanvraag de tekst bij het invulformulier

Beste mevrouw of meneer. Graag wens ik een beschermingsaanvraag in te dienen voor de Sint-Gerardusschool (ID: 215678) en meer precies voor: het tweedelige gebouw (hoofdgebouw met overdekte speelplaats), de aanleg errond (speelkoer + muren speelkoer + voetpadstrook aan de voorgevel), het volledige interieur, de 19e eeuwse muurkapel (centraal aan de voorgevel van het hoofdgebouw), de geschonken 60kg zware bronzen klok als lokaal auditieve reminiscentie van 58 jaar (religieuze) wijkgeschiedenis (op de speelplaats van de school) en de oude notelaar als houtige reminiscentie van de wijkgeschiedenis (in de tuin rechts van de school). Ik dien een beschermingsaanvraag in omdat sinds maart 2018 belangrijke nieuwe wetenschappelijke feiten zijn (zie de website http://www.moederschool.wordpress.com/nieuwe-onderzoeksresultaten) waarmee het Vlaams Agentschap voor Onroerend Erfgoed geen rekening kon houden in haar advies aan de Minister voor Onroerend Erfgoed in 2017. Bovendien bevatte volgens dezelfde website (http://www.moederschool.wordpress.com/de-minister-werd-misleid) het beschermingsdossier van vorig jaar niet-objectieve informatie. De Minister van Onroerend Erfgoed, dhr. Geert Bourgeois heeft in 2016 de school met reden voorlopig beschermd. Een definitieve bescherming van dit monument is nodig vanwege de unieke maatschappelijke waarde van dit schoolgebouw zoals beschreven in het Ministrieel Besluit van 23 november 2016, maar ook vanwege nieuwe erfgoedwaarden die verwacht kunnen worden als gevolg van de nieuwe feiten, evenals de unieke wetenschappelijke waarde van de school voor de geschiedschrijving van ons land. Naast de culturele en wetenschappelijke waarde vraag ik ook een bescherming aan omdat een bescherming de beste garantie is dat de lokale armenwerking ‘Geraarke’ zijn werking in de buurt kan blijven voortzetten. Sinds de beschermingsprocedure spaak liep, blijken er geen garanties te bestaan die de toekomst van deze armenwerking garanderen. Als een bescherming van cultureel erfgoed lokale sociale dienstverlening ten goede komt, is dat een bijkomende maatschappelijke meerwaarde die het cultureel erfgoed genereert. Ik vertrouw er op dat mijn aanvraag in goede handen is en ik zie uit naar de bescherming van dit uitzonderlijke erfgoedgebouw voor zijn lokale, Vlaamse, Belgische en Europese erfgoedwaarden en als verzekering voor de lokale sociale dienstverlening.

Meer over de waarde van het cultureel erfgoed

Het Ministerie van Onderwijs bouwde in 1913 dit schoolgebouw dat als voorbeeld, als model moest dienen voor nieuwe scholen in honderden Vlaamse gemeentes. Dit landelijk schoolgebouw werd aan het grote publiek voorgesteld tijdens de wereldtentoonstelling van 1913, een mega-evenement met bijna 10 miljoen bezoekers. De school werd gebouwd om honderden gemeentes te ondersteunen bij hun nieuwe taak om voor het eerst in de geschiedenis van ons land aan alle kinderen – rijk of arm – onderwijs te geven.

De invloed van het schoolgebouw op de bouw van honderden scholen in Vlaanderen is zo groot geweest dat het gebouw met recht en rede “de moederschool van Vlaanderen” kan worden genoemd.

In Europa blijkt de school uniek te zijn als modelschool en school op een vooroorlogse wereldtentoonstelling.

UNESCO Declaration concerning the Intentional Destruction of Cultural Heritage

17 October 2003

unesco

The General Conference of the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization meeting in Paris at its thirty-second session in 2003,

Recalling the tragic destruction of the Buddhas of Bamiyan that affected the international community as a whole,

Expressing serious concern about the growing number of acts of intentional destruction of cultural heritage,

Referring to Article I(2)(c) of the Constitution of UNESCO that entrusts UNESCO with the task of maintaining, increasing and diffusing knowledge by “assuring the conservation and protection of the world’s inheritance of books, works of art and monuments of history and science, and recommending to the nations concerned the necessary international conventions”,

Recalling the principles of all UNESCO’s conventions, recommendations, declarations and charters for the protection of cultural heritage,

Mindful that cultural heritage is an important component of the cultural identity of communities, groups and individuals, and of social cohesion, so that its intentional destruction may have adverse consequences on human dignity and human rights,

Reiterating one of the fundamental principles of the Preamble of the 1954 Hague Convention for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict providing that “damage to cultural property belonging to any people whatsoever means damage to the cultural heritage of all mankind, since each people makes its contribution to the culture of the world”,

Recalling the principles concerning the protection of cultural heritage in the event of armed conflict established in the 1899 and 1907 Hague Conventions and, in particular, in Articles 27 and 56 of the Regulations of the 1907 Fourth Hague Convention, as well as other subsequent agreements,

Mindful of the development of rules of customary international law as also affirmed by the relevant case-law, related to the protection of cultural heritage in peacetime as well as in the event of armed conflict,

Also recalling Articles 8(2)(b)(ix) and 8(2)(e)(iv) of the Rome Statute of the International Criminal Court, and, as appropriate, Article 3(d) of the Statute of the International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia, related to the intentional destruction of cultural heritage,

Reaffirming that issues not fully covered by the present Declaration and other international instruments concerning cultural heritage will continue to be governed by the principles of international law, the principles of humanity and the dictates of public conscience,

Adopts and solemnly proclaims the present Declaration:

I – Recognition of the importance of cultural heritage

The international community recognizes the importance of the protection of cultural heritage and reaffirms its commitment to fight against its intentional destruction in any form so that such cultural heritage may be transmitted to the succeeding generations.

II – Scope

1. The present Declaration addresses intentional destruction of cultural heritage including cultural heritage linked to a natural site.

2. For the purposes of this Declaration “intentional destruction” means an act intended to destroy in whole or in part cultural heritage, thus compromising its integrity, in a manner which constitutes a violation of international law or an unjustifiable offence to the principles of humanity and dictates of public conscience, in the latter case in so far as such acts are not already governed by fundamental principles of international law.

III – Measures to combat intentional destruction of cultural heritage

1. States should take all appropriate measures to prevent, avoid, stop and suppress acts of intentional destruction of cultural heritage, wherever such heritage is located.

2. States should adopt the appropriate legislative, administrative, educational and technical measures, within the framework of their economic resources, to protect cultural heritage and should revise them periodically with a view to adapting them to the evolution of national and international cultural heritage protection standards.

3. States should endeavour, by all appropriate means, to ensure respect for cultural heritage in society, particularly through educational, awareness-raising and information programmes.

4. States should:

(a) become parties to the 1954 Hague Convention for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict and its two 1954 and 1999 Protocols and the Additional Protocols I and II to the four 1949 Geneva Conventions, if they have not yet done so;

(b) promote the elaboration and the adoption of legal instruments providing a higher standard of protection of cultural heritage, and

(c) promote a coordinated application of existing and future instruments relevant to the protection of cultural heritage.

IV – Protection of cultural heritage when conducting peacetime activities

When conducting peacetime activities, States should take all appropriate measures to conduct them in such a manner as to protect cultural heritage and, in particular, in conformity with the principles and objectives of the 1972 Convention for the Protection of the World Cultural and Natural Heritage, of the 1956 Recommendation on International Principles Applicable to Archaeological Excavations, the 1968 Recommendation concerning the Preservation of Cultural Property Endangered by Public or Private Works, the 1972 Recommendation concerning the Protection, at National Level, of the Cultural and Natural Heritage and the 1976 Recommendation concerning the Safeguarding and Contemporary Role of Historic Areas.

V – Protection of cultural heritage in the event of armed conflict, including the case of occupation

When involved in an armed conflict, be it of an international or non-international character, including the case of occupation, States should take all appropriate measures to conduct their activities in such a manner as to protect cultural heritage, in conformity with customary international law and the principles and objectives of international agreements and UNESCO recommendations concerning the protection of such heritage during hostilities.

VI – State responsibility

A State that intentionally destroys or intentionally fails to take appropriate measures to prohibit, prevent, stop, and punish any intentional destruction of cultural heritage of great importance for humanity, whether or not it is inscribed on a list maintained by UNESCO or another international organization, bears the responsibility for such destruction, to the extent provided for by international law.

VII – Individual criminal responsibility

States should take all appropriate measures, in accordance with international law, to establish jurisdiction over, and provide effective criminal sanctions against, those persons who commit, or order to be committed, acts of intentional destruction of cultural heritage of great importance for humanity, whether or not it is inscribed on a list maintained by UNESCO or another international organization.

VIII – Cooperation for the protection of cultural heritage

1. States should cooperate with each other and with UNESCO to protect cultural heritage from intentional destruction. Such cooperation should entail at least:

(i) provision and exchange of information regarding circumstances entailing the risk of intentional destruction of cultural heritage;

(ii) consultation in the event of actual or impending destruction of cultural heritage;

(iii) consideration of assistance to States, as requested by them, in the promotion of educational programmes, awareness-raising and capacity-building for the prevention and repression of any intentional destruction of cultural heritage;

(iv) judicial and administrative assistance, as requested by interested States, in the repression of any intentional destruction of cultural heritage.

2. For the purposes of more comprehensive protection, each State is encouraged to take all appropriate measures, in accordance with international law, to cooperate with other States concerned with a view to establishing jurisdiction over, and providing effective criminal sanctions against, those persons who have committed or have ordered to be committed acts referred to above (VII – Individual criminal responsibility) and who are found present on its territory, regardless of their nationality and the place where such act occurred.

IX – Human rights and international humanitarian law

In applying this Declaration, States recognize the need to respect international rules related to the criminalization of gross violations of human rights and international humanitarian law, in particular, when intentional destruction of cultural heritage is linked to those violations.

X – Public awareness

States should take all appropriate measures to ensure the widest possible dissemination of this Declaration to the general public and to target groups, inter alia, by organizing public awareness-raising campaigns.

 

Source: http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=17718&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html

Koninklijk Bezoek

Op 9 augustus 1913, om vijf uur in de namiddag, brengt Zijne Majesteit Koning Albert I een bezoek aan ‘Het Moderne Dorp’ van de Wereldtentoontelling van 1913 te Gent.

Het organiserende comité heeft de Koning hiertoe uitgenodigd in een brief ondertekend door volksvertegenwoordiger J. Maenhout. Daarbij wordt gewezen op het doel van ‘Het Moderne Dorp’ om enerzijds de levenskwaliteit op het platteland te verbeteren en anderzijds het platteland te verfraaien.

brief van het comité aan de koning

De koning wordt ontvangen door verschillende hoogwaardigheidsbekleders zoals de regeringscommissaris dhr. de Hemptinne, senator baron della Faillie d’ Huysse de volksvertegenwoordigers J. Maenhout en E. Tibbaut, directeur-generaal van het Ministerie van Landbouw Paul De Vuyst, commissaris van de groep R. Le Grand, afgevaardigd bestuurders F. Graftiau en F. de Smet, diverse notabelen uit de landbouwwereld, minister van staat Cooreman en ook de burgemeester van Gent, Emile Braun.

 

Vijftig jaar parochie Christus Koning Gent 1956-2006

Auteurs: BUYSSE (K.) en DEKEYSER (E.)

Uitgave: 2006

Op de foto hieronder vind je de school links (let op de rij kleine boompjes op de speelplaats!), omgeven door moestuintjes en trage wegen, waaronder de Groenen Walleweg die dit jaar opnieuw werd aangelegd door de Universiteit Gent.

foto van Red het laatste gebouw van de wereldtentoonstelling 1913.

Op bladzijde 99 van het boek “Vijftig Jaar Parochie Christus-Koning Gent (1956-2006)” staat er : “In 1914 werden reeds nieuwe lokalen opgetrokken met materialen, afkomstig van de gesloopte gebouwen van de Wereldtentoonstelling van 1913 (…).”

Boek 50 jaar KK.jpg

Op de foto zie je in de koets pastoor Ivo Van Kerckvoorde. Deze priester kocht de modelschool van het Moderne Dorp en liet deze overplaatsen door aannemer Gildemijn naar zijn huidige locatie. Daar verving de school een eerder houten schooltje.

De verplaatste modelschool van 1913 zou een nieuw hoofdstuk wijkgeschiedenis inluiden. Met de bouw van de eredienstkapel in 1959 op de speelplaats en het café met feestzaal in 1960 rechts van de school, zou de modelschool van 1913 het kloppende hart van de wijk blijven.

Ook vandaag vervult het schoolgebouw nog één van de belangrijkste sociale functies in de wijk: de voedselbank en tweedehandswinkel van de armenwerking ’t Geraarke.